Wat ons boven het hoofd hangt
In de stoel aan het raam vind je opa. Hij zit er elke dag, behalve bij etenstijd. Ontbijt krijgt hij in bed, de boterhammen ’s middags en het warm eten ’s avonds in de eetzaal. Eten kan hij niet echt meer – zijn tanden zijn getrokken, omdat hij ze niet wou poetsen, klinkt het. Voedsel scheurt hij nu uiteen in kleine stukjes, die hij langzaam en geleidelijk op zijn tong plaatst en oplost tot moes.
Praten doet hij nauwelijks, behalve als het moet. De logopedist geeft hem oefeningen, maar hij geeft niets terug. Hij spreekt niet meer met klanken. Opa lacht de dagen weg. Ik zocht naar meer achter zijn ogen en dacht: zijn afscheid vond al plaats, zijn leven is al vervlogen. Zijn zin al afgesloten.
In de stoel aan het raam vind ik opa. De geur van ammoniak slaat in mijn gezicht. Hij lacht onschuldig. Even lijkt hij jonger dan ons allemaal, een kind teruggeplaatst op de fabrieksinstellingen en klaar voor een nieuw begin. Hij wijst naar buiten, zijn vingernagels te lang ongeknipt en lijkt te zeggen:
‘Kijk verder dan de bomen. Oneindig lange vingertoppen strekken zich hierboven uit en grijpen naar verwachtingen die er tussenin hangen, uitdeinen en op zuchtjes wind gedragen worden. Het is altijd ergens aan het regenen. En een hemel wordt pas hemel als je hem zelf zo benoemt. Dus wat maakt het uit.’
Ik omhels opa, kus hem kort maar krachtig op zijn wang. Mijn lippen vormen de stempel die onze brief afsluit, zoals de oude poststempels waar ik als kind mee mocht spelen en die hij zelf nog van zijn vader had. Zijn wang is het inktkussentje en briefpapier tegelijk, want hij is evenzeer het begin waar ik uit putte als het einde van mijn vorm. Zijn indrukken blijven op mij ingeprent. Ik maak mezelf wijs dat hij weet wie ik ben, voor ik de deur achter me sluit.